Reis door het beeldenpark van Bomarzo
samen met kunstenaars



Lasciate ogni pensiero voi ch'entrate
(laat iedere gedachte varen, gij die hier binnengaat)

Dit is het beginpunt van een wonderlijke reis door het 16de eeuwse beeldenpark bij het Italiaanse plaatsje Bomarzo, dat veel 20ste eeuwse kunstenaars inspireerde, onder wie:



Deze site werd gemaakt door Michiel Koolbergen (1953-2002), kunsthistoricus en journalist bij het dagblad Trouw en auteur van het boek Het laatste geheim van Bomarzo (Menken Kasander & Wigman, 1996).



Salvador Dali wordt wel 'de herontdekker van Bomarzo' genoemd. Maar hij was zeker niet de eerste die de eeuwenlang vergeten en door planten overwoekerde beeldentuin bezocht. Dali bracht een bezoek aan het park in het jaar 1938, toen hij korte tijd een atelier in Rome bezat, en daarna nog eens omstreeks 1949. Volgens de Italiaanse kunst- en literatuurhistoricus Mario Praz, die het tweede bezoek van Dali in een artikel uit 1949 vermeldde, was de surrealistische meester op het bestaan van het beeldenpark gewezen door een vriend van een zekere Andrea Beloborodoff, een in Rome vertoevende schilder en liefhebber van Italiaanse villa's en ruines. Beloborodoff was op zijn beurt getipt door een Amerikaanse. Mario Praz, die het park zelf in 1949 bezocht (vandaar zijn artikel), kreeg op zijn vraag aan een lokale gids of er veel bezoekers kwamen, het antwoord: ,,Americani e canadesi ogni giorno.'' (Amerikanen en Canadezen, iedere dag).
Dit hing vrijwel zeker samen met het bestaan van een
Engelstalige gids over Italiaanse villa's en tuinen die gemaakt was in opdracht van de American Academy
in Rome en reeds in 1938 verschenen was. In die gids staat bij de plaatsnaam Bomarzo: 'park open to public'.

Volgens Praz kwam Dali met veel bombarie naar het park van Bomarzo. Hij had een complete hofhouding om zich heen, inclusief foto- en filmploeg om er opnames te maken. Voor een reconstructie van de beeldentuin (na 1954 werden door de toenmalige, particuliere eigenaar beelden verplaatst en delen van het park veranderd) zou de film wel eens interessant materiaal kunnen opleveren, hoewel te vrezen valt dat Dali's rol daarin die van de sculpturen domineert. De film is echter nog niet opgedoken en bevindt zich wellicht in een of ander stoffig Dali-archief.
Giovanni Borghese (van het beroemde Italiaanse huis Borghese), die begin deze eeuw in het palazzo van
Bomarzo opgroeide en in de beeldentuin speelde, meldde in een artikel dat Dali tijdens zijn (tweede)
bezoek aan 'Bomarzo' de plaatselijke notabelen schoffeerde door aan te kondigen dat hij twee beelden
uit de tuin wilde opkopen ('He infuriated the Mayor of Bomarzo by asking to buy two of the statues').

Er bestaat een prachtige anekdote over Dali's (tweede) bezoek aan Bomarzo, opgetekend door de surrealistische fotograaf Brassai. Het gaat om het moment waarop Dali zich wilde laten fotograferen in de zogeheten Muil van Bomarzo: het beeld van een reusachtige monsterkop die je kunt betreden door de wijd opengesperde mond. De foto-sessie ging als volgt:

‘One day the painter sallied from Rome [to the park of Bomarzo] with a cortege of cameramen, friends and extra's, determined to have himself photographed holding a candle and conversing with a white cat in the jaws of the hugest monster. The village of Bomarzo yielded black cats, gray cats, brown cats, ginger cats, but it took hours to find a white one. Dali was so pleased with the fotographs and the excursion as a whole that he very nearly bought the palazzo [of Bomarzo], where he planned to hold a magnificent ball for all the beggars in Rome. His wife [Gala], preferring small parties in her hotel apartment in New York, vetoed the project.’

Literatuur:
M. Praz, I mostri di Bomarzo, in: Il Tempo, 3 (17-11-1949), en in: l'Illustrazione italiana, nr.8(1953), pp. 48-51, 86; dit artikel verscheen ook in: M. Praz, Panopticon Romano, Verona, 1967, pp. 107-113; en in: M. Praz: Il giardino dei sensi, Milaan, 1975, pp. 76-81.
A guide to villas and gardens in Italy (samengesteld door A. Aldrich en J. Walker voor de American Academy in Rome), Florence, 1938; voor Bomarzo: p.29.
G. Borghese, The horrors of Bomarzo, in: Harper's Magazine, 228 (1964), pp. 66-71.
G.H. Brassai, The mammoth figures of Bomarzo, in: Harper's Bazaar, (januari) 1953, pp. 70-73.

Dali maakte twee kunstwerken die op 'Bomarzo' geinspireerd zijn. Het eerste is het bekende schilderij 'De verzoeking van de Heilige Antonius' uit 1946, het tweede een sculptuur van een op een boek gelegen schildpad met daarop een vrouwenfiguur die op een trompet blaast.


In zijn schilderij De verzoeking van de Heilige Antonius (boven) verwerkte Dali elementen uit het beeldenpark van Bomarzo: de Olifant, het Tempeltje, de Schildpad met vrouwenfiguur die op een trompet blaast en de Pegasus.



De Nederlandse schilder Carel Willink maakte in de jaren zestig en tachtig diverse Bomarzo-schilderijen met intrigerende titels als: Onnodige getuigen en De eeuwige schreeuw. De beelden uit het park van Bomarzo plaatste hij in uitgestrekte, vegetatieloze vlaktes, als op een uitvergroot toneel, waarop ze ons machteloos -want onhoorbaar- toeschreeuwen.



De Argentijnse schrijver Manuel Mujica Lainez schreef de lijvige roman Bomarzo, die vertaald werd in het Engels, Duits, Italiaans en Portugees. Voor een landgenoot, de componist Alberto Ginastera (zie aldaar), schreef hij de libretti voor een cantate en een opera, allebei getiteld Bomarzo.



De Nederlandse schilder Christiaan de Moor, die vanaf 1966 in Italie woonde, maakte in de jaren zeventig een omvangrijk Bomarzo-oeuvre. In familiekring heette het dat hij leed aan 'Bomarzitis'. De Bomarzo-werken van De Moor (elf schilderijen en zeven tekeningen in Oostindische inkt) kenmerken zich door een sfeervolle setting van de beelden in de natuur.



De reislustige en romantisch ingestelde, Nederlandse kunstenares Gerti Bierenbroodspot bezocht het
beeldenpark van Bomarzo in 1972 en in 1976. Tijdens elk bezoek maakte zij drie fraaie schetsen. Tevens
maakte zij tijdens beide bezoeken aan het park impressionistische dagboekaantekeningen.



Op fraaie en speelse wijze heeft de in 1930 geboren, Franse kunstenares Niki de Saint Phalle sculpturen van het beeldenpark van Bomarzo in een eigen beeldentuin verwerkt. Zij begon in 1978, bijgestaan door de Zwitserse
kunstenaar Jean Tinguely en andere kunstenaars en handwerklieden uit diverse landen, met de bouw van haar zogeheten 'Tarot-tuin' (Giardino dei Tarocchi) op een heuvel vlakbij het plaatsje Capalbio, dat nog net in Toscane ligt, aan de grens met Latium, dicht aan de kust van de Middellandse Zee.
De tuin is het toneel van reusachtige sculpturen, waarvan sommige bewoonbaar zijn. De voornaamste
inspiratiebronnen bij de aanleg van de Tarot-tuin waren voor Niki de Saint Phalle behalve natuurlijk de Tarot-kaarten, ook het Parque Guell in Barcelona van Gaudi, de tuin van de Villa d'Este in Tivoli, en het beeldenpark van Bomarzo.

De kunstenares schreef zelf over het ontstaan van haar tuin in een in 1984 verschenen boek over haar werk:
‘In Toscane schiep ik mijn plastische versie van de Tarot-kaarten, die mij altijd al gefascineerd hebben. Ik herinner mij nog goed dat ik T.S. Elliot's 'Wasteland' las en mij over die geheimzinnige verwijzing naar de Gehangene, de twaalfde kaart, verwonderde. Aan de Tarot heb ik een beter begrip van de spirituele wereld en de problemen van het leven te danken -ook het inzicht dat ieder probleem opgelost moet worden, zodat men nieuwe horden kan nemen, om tenslotte de innerlijke harmonie en de tuin van het Paradijs te bereiken. Italie
beschikt over een belangrijke traditie van fantastische tuinen; de beroemdste zijn het park van de Villa d'Este
en Bomarzo, negentig minuten met de auto van mijn Tarot-tuin vandaan. Bomarzo oefent op mij een bijzondere aantrekkingskracht uit. Een van de centrale figuren van mijn tuin, de Hogepriesteres met de geopende mond -waaruit eens water zal komen en over de treden zal vloeien- stelt zowel een hommage aan de geheimzinnige sculpturen van Bomarzo als aan de Villa d'Este voor. Het dromerige van Bomarzo met zijn zeemeerminnen, Giganten, monsters en de scheve toren heeft mijn werk beinvloed. Ook symbolisch gezien zijn er tussen beide tuinen overeenkomsten. De alchemie is de sleutel tot 'Bomarzo', de archetypen zijn dat tot de mijne.'

Het duidelijkst met 'Bomarzo' verwant is inderdaad het beeld van 'de Hogepriesteres' -het reuzenhoofd waarop zich overigens nog een kleiner hoofd bevindt, getiteld 'de Magier'. Het reuzenhoofd met de naar de opengesperde mond lopende 'watertrap' toont grote gelijkenis met de Muil van Bomarzo. Maar ook andere sculpturen in de Tarot-tuin herinneren aan het beeldenpark van Bomarzo: er is 'de Keizerin', de reusachtige sculptuur die in de vorm van een gekroonde Sfinx is gebouwd en dienst doet als woonhuis en atelier van de kunstenares, en er zijn een toren en een draak aanwezig.
Door deze gelijkenissen en de surrealistische sfeer kan de Tarot-tuin van Niki de Saint Phalle met recht 'een twintigste eeuws Bomarzo' genoemd worden.



De Nederlandse schrijfster Hella S. Haasse schreef een essay-roman over het beeldenpark, getiteld 'De tuinen van Bomarzo'. De eerste druk verscheen in 1968, meerdere drukken volgden.


De Argentijnse componist Alberto Ginastera componeerde een cantate en een opera die hij allebei de titel 'Bomarzo' gaf. De libretti voor beide muziekstukken werden geschreven door een landgenoot, de schrijver Manuel Mujica Lainez (zie aldaar).

Voordat Alberto Ginastera in samenwerking met zijn landgenoot Manuel Mujica Lainez de opera 'Bomarzo' (1967) componeerde, schiepen zij samen de cantate 'Bomarzo' (1964).

Ginastera had de opdracht voor het maken van een cantate gekregen van de in Washington zetelende Elizabeth  Sprague Coolidge Foundation. Elk jaar, op 31 oktober, eert de Library of Congress de geboortedag van Elizabeth Sprague Coolidge, die verantwoordelijk was voor de bouw van een concertzaal voor kamermuziek in de bibliotheek en een groot bedrag had nagelaten waaruit opdrachten voor nieuw werk van hedendaagse componisten gefinancierd worden. In sommige jaren is er een festival en dit was in 1964 het geval wegens de viering van het honderdste geboortejaar van Elizabeth Sprague Coolidge. Dit dertiende 'Coolidge Festival' bood vier concerten, waar behalve bestaand werk ook twaalf nieuwe composities ten gehore werden gebracht.
Een van die nieuwe composities was de 26 minuten durende cantate van Ginastera, die in de Library of Congress op 1 november 1964 haar premiere beleefde.

Ginastera had de roman 'Bomarzo' (1962) van Lainez gelezen, zocht de schrijver thuis op en vroeg hem de tekst voor zijn muziekstuk te schrijven. Lainez voldeed aan het verzoek en schreef drie proza-teksten en drie  gedichten, waarin het leven van zijn romanfiguur Vicino Orsini -schepper van het beeldenpark van Bomarzo en echtgenoot van Giulia Farnese- is samengevat.

De proza-stukken dienen door een 'verteller' voorgedragen te worden, en worden afgewisseld door de gedichten, die een bariton deels zingt, deels reciteert. Een kamerorkest, bestaande uit twee viola's en een viola d'amore, twee cello's, twee bassen, harp, klavecimbel, piano (voor duo), celesta, blaasinstrumenten en
percussie, begeleidt het geheel. De teksten van de cantate 'Bomarzo' zijn oorspronkelijk in het Spaans opgesteld, maar er bestaat voor uitvoeringen in de Engelse taal een officiele vertaling. Hier als voorbeeld een van de (gezongen) gedichten:

Canto II, 'In search of Love':

Into time's hazy murkiness
I plunged a shivering hand,
but I only found my own,
but I only grazed my hand.

I wanted the hand of Julia,
I wanted a page's hand,
I outstretched mine in the mist,
and I only found my hand.

So I wander on in life,
hand-in-hand with my own hand.
My tears come rolling down
on my lost and lonely hands.

Over de cantate werd uiteraard na de premiere op het festival in Washington een oordeel geveld. Het stuk, dat het festival afsloot, was volgens een recensent van het Amerikaanse muziekblad The Music Quarterly 'in sommige opzichten het opmerkelijkste' wat er tijdens het muziekfeest te beluisteren viel. Het klonk Edgar-Allen-Poe-achtig. De monoloog van de vocalisten, aldus de recensent, ,,wordt omgeven door een sfeer van nachtmerrie en hallucinatie.'' De verteller moest tijdens de laatste zang van de bariton in een aparte microfoon woorden uitroepen als 'Fire', 'Dying', 'Monsters' en 'Phantoms', gelardeerd met repeterende klanken, van 'fff' naar 'ppp'.

‘Het klonk een beetje wild'', zo was het oordeel over het stuk waarin op originele en effectieve wijze gebruik gemaakt werd van exotische percussie-instrumenten, ,,maar het was zeer dwingend. Het had een vreemde eenheid en coherentie, in een ongewone muziekdimensie.’

Alberto Ginastera (1916-1983), voornaamste werken:
Panambi (1937), ballet.
Danzas Argentinas (1937) [Argentine Dances], voor piano.
Estancia (1941), ballet.
Obertura para el Fausto criollo (1943) [Overture to The Creole Faust].
Pampeana no. 3 (1954) [Symphonic Pastorale], voor orkest.
Don Rodrigo (1964), opera.
Bomarzo (1967), opera.
Beatrix Cenci (1971), opera.