Manuel Vázquez Montalbán: Galíndez
Uit het Spaans vertaald door Saskia Otter
«Op de heuvel wacht hij op mij... op de heuvel wacht hij op mij...» De versregel blijft maar in je hoofd ronddraaien als een gekraste oude 78-toeren plaat die blijft hangen. «Op de heuvel wacht hij op mij... op de heuvel wacht hij op mij...» «Ik kom terug... ik kom terug, of ik zal teruggebracht worden, dood... om weer één te worden met de aarde.» Zelfs dat was onmogelijk, Jesús, mompel je in jezelf en het lijkt of je praat met die eigenaardige kameraad die met jou vergroeid is en die je al jaren in je meedraagt. De wind zuivert de vallei van Amurrio en doet je rok opwaaien, boven op deze heuvel van Larrabeode, de uitverkoren heuvel, alsof dit precies de heuvel zou zijn die wachtte op Jesús de Galíndez. Je hebt het koud, verkild tot op het bot door de wind die het kleine, aan Jesús Galíndez gewijde grafmonument polijst, en door de vastgehouden vochtigheid van het reservoir, dat zich boven de vallei verheft, vol dreiging, belofte van water. De stenen stèle lijkt een angstige absurditeit naast het enorme reservoir, slechts een voorwendsel om de herinnering levend te houden, een herinnering, een restje eerbetoon dat waarschijnlijk onbehaaglijk is. «Ongetwijfeld zal zijn geboortedorp zich gaarne hierbij aansluiten en daarom voegen wij bij dit schrijven een overzicht van memorabele feiten, welke wij gaarne onder de welwillende aandacht van uw Gemeentebestuur zouden brengen. Tegelijkertijd verzoeken wij om uw instemming met de noodzakelijke vergunning om een klein perceel gemeentegrond (van 15 bij 20 vierkante meter) op de genoemde heuvel van Larrabeode te mogen gebruiken, teneinde hierop een gedenksteen op te richten die tevens zal dienen als markering van het onderhavige terrein.» Je vouwt de fotokopie van de brief van Sr. Félix Martín Latorre, gedeputeerde voor culturele zaken, gericht aan de Weledelgestrenge heer de burgemeester, hoofd van het gemeentebestuur van Amurrio, nog een keer dubbel. Het is een jaar geleden dat op deze heuvel het ritueel van de onthulling van het monument plaatsvond, en ook bewaar je het knipsel waarin over deze gebeurtenis wordt bericht; in de meest Baskischgezinde krant ter wereld, de meest radicaal Baskischgezinde ter wereld. En niettemin is het bericht van de onthulling bijna even onbenullig als het monument zelf.
'Muriel, ik heb het koud. Het is koud.'
Protesteert Ricardo, vijf meter lager. Hij heeft je vijf minuten gegeven voor je necrologie of necrofilie, is dat niet hetzelfde? Hij heeft schoon genoeg van de kou, het vocht en de mist die de wind dreigt af te lossen, en van je pelgrimstocht in het spoor van de lege schaduw van Jesús de Galíndez, verdwenen in New York, midden op Fifth Avenue, op 12 maart 1956, en dertig jaar later is er niets anders meer van hem over dan die grote steen die op een stenen koekje lijkt. «Mrs. Muriel Colbert. Afdeling Hedendaagse Geschiedenis, Yale Universiteit. In mijn functie van wethouder van cultuur van de gemeente Amurrio, heb ik het genoegen u mede te delen dat ik geheel tot uw beschikking sta om u alle informatie die u nodig mocht hebben over de band van Jesús de Galíndez met het dorp van zijn voorvaderen, Amurrio, te verschaffen. Juist enkele maanden geleden werd er een gedenkteken onthuld ter nagedachtenis van de beroemde martelaar van het Baskische vaderland, en wij hopen dat u thans zelf kunt vaststellen met hoeveel eerbied ons dorp een van zijn meest illustere en opofferingsgezinde zonen gedenkt.»
'Muriel, heb je er iets op tegen om verder te huilen in een cafeetje bij een kopje lekkere warme koffie of een glaasje wijn? Ik kan je benen en je billen zien, en zelfs je sproeten zien blauw van de kou.'
De wind zou Ricardo's tere botten zo kunnen wegblazen. Hij was gehuld in een zeer wijde muisgrijze mantel, zoals je de kleur beschrijft als je de draak wilt steken met de eigenliefde van deze yuppie, die zich laat kleden door de prêt à porter zaken van Adolfo Domínguez.
'Jullie yankees zijn gek op pakken met gele Prince-de-Galles ruiten gecombineerd met oranje schoenen.'
Nu richt hij een bijna volkomen smeekbede tot je, met zijn in elkaar gedoken lichaam, zijn bij elkaar gehouden handen in een bede tot de god van je beslissingen en zijn smalle gezicht met door de kou verscherpte trekken. Je probeert je te concentreren op de steen, de herinnering aan Galíndez op te roepen, zijn geest, maar die komt niet; het is en blijft een steen, een voorwendsel zodat men nooit kan zeggen dat Galíndez na Franco niet door het Baskische dorp werd geëerd. Als je emotioneel wordt en je ogen zich met tranen vullen is dat om wat je in je draagt, om wat je weet en wat je je voorstelt, niet om dat decor dat het midden houdt tussen een wasbekken en een graf, waarbij het bekken belangrijker is dan Galíndez, en evenmin om het panorama van een Amurrio dat niets te maken heeft met het door Jesús de Galíndez sinds zijn kinderjaren geïdealiseerde dorpje, bijna sinds het moment van zijn geboorte in Madrid, waar hij als kind en kleinkind van Basken ter wereld kwam, van Basken uit Amurrio; daarom was Amurriotarra het pseudoniem dat hij gebruikte om veel van zijn geschriften gedurende zijn ballingschap te ondertekenen. In de biografie die Pedro de Badalsua vijfentwintig jaar na zijn verdwijning in elkaar heeft gezet, schrijft hij nog dat Galíndez hier geboren is, in Amurrio, op 12 oktober 1915, maar in werkelijkheid werd hij in Madrid geboren, waar zijn ouders woonden en werkten. Wel heeft hij lange perioden van zijn kindertijd doorgebracht op het landgoed van zijn grootvader van vaders zijde, in Larrabeode... «gelegen op een heuveltje, op honderd meter van een historische plek waar eeuwen geleden, bij de boom van het Campo de Saraobe -nu verdwenen- de raden van het land van Ayala bijeen kwamen. Vanaf het landgoed tot waar zowel het gebeier van de klokken van Amurrio als dat van Respaldiza reikt, zijn de groene toppen van de bergen te zien. In zijn jongelingsjaren, met zijn open geest voor fantasie en dromen, is hij meer dan eens tijdens een korte wandeling naar Quejana bij de kerk van Tuesta beland, een juweel uit de eerste jaren van de 13de eeuw, en is hij ontroerd geraakt bij de stenen graftombe van de grootkanselier Pedro López de Ayala, een man van buitengewoon aanzien en heer van deze landerijen, die een diep en onuitwisbaar spoor in zijn ziel hebben achtergelaten. Zijn moeder is gestorven toen Jesús nog een baby was...»
'Muriel. Voor de laatste keer. Ik ga.'
'Ik kom al naar beneden.'
«Zijn moeder is gestorven toen Jesús nog een baby was...» Speciaal die zin had je onthouden, toen, toen je voor de eerste keer op aanraden van Norman het boek las, in New York, in 1981. 'Zijn moeder is gestorven toen Jesús nog een baby was...' Nog steeds mompel je die zin als Ricardo's armen je opvangen, een vluchtige omhelzing als dank en vervolgens pakt zijn koude hand een van de jouwe en trekt je mee het pad naar beneden om zo snel mogelijk bij de auto te komen die op jullie wacht met zijn belofte van een beetje warmte en een rit naar de hoeve van de Migueloas, eigendom van een oom van moederszijde van Ricardo.
'Het heeft lang geduurd voor ik besefte dat mijn tweede achternaam Baskisch was. Voordat de ETA Spanjaarden begon te doden was een Baskische achternaam iets om trots op te zijn. Het was alsof je anders was, sterk en mysterieus. Alhoewel we het als kleine jongetjes associeerden met Athlétic de Bilbao. Een prestigieuze club, net als die critici van de politiek die altijd een voorbeeld zijn dat niemand wil volgen. Oom Chus zal wel onder de indruk zijn als hij ziet dat zijn Madrileense neef niemand minder meeneemt dan een Amerikaanse studente die onderzoek doet naar Baskische aangelegenheden.'
Hij provoceert je maar je gaat er niet op in. Misschien omdat je wat hij Spaanse provocaties noemt, met een vermoeide gelatenheid over je heen laat komen, alsof het aanvaarden van de erfzonde deze minder zondig maakt. Of omdat hij zijn hand onder je rok heeft gestopt en je koude dijen streelt en telkens opnieuw tegen je zegt dat de huid van roodharigen de handen polijst, als zacht schuurpapier.
'Hoe was het monument?'
'Belachelijk.'
'Ik heb je al gezegd dat niemand hier wist wie die Galíndez was. Voor mij is het alsof je het over Toetanchamon hebt.'
'Voor jou is de prehistorie tien jaar geleden afgelopen.'
'Zo ongeveer. Ik kan prima leven met weinig historisch besef. Ik begrijp echt niet waarom jij eeuwig en altijd in andermans verleden zit te snuffelen. Je kunt er niet eens van leven. Ze hebben je een armzalige beurs gegeven.'
Het schemert, maar nog filtert de nevel de lichtvlekken in alle schakeringen groen waarvan dat noordelijke licht doordrenkt is. Ricardo rijdt nu bedaard, hij is niet meer de kamikazepiloot die je vanaf Madrid hierheen heeft gebracht, met de auto die zijn gekreun verborg onder het bravourevertoon van een dubbele uitlaat. Je slaat de monografie over Amurrio open die ze je op het gemeentehuis hebben gegeven en het verbaast je dat die in 1932 in een sacristiegeur is geschreven, met een voorwoord van de bisschop van Vitoria en aan hem opgedragen door de auteur, José Medinabeitia, pastoor van Amurrio... Nee, laten we niet alles vertellen, maar wel het grootste deel van de geestelijke en materiële waarden waarvan wordt verondersteld dat Amurrio die in zich herbergt... De fantastische parochiekerk met het prachtige hoogaltaar, de zeer vrome kapelletjes van het stadje, de oude en nieuwe, uitstekend georganiseerde gildes en broederschappen... De geschiedenis van het Heilige Ziekenhuis, het Armenhuis, huis en hotel Gods, de adellijke villa's van Ayala, of liever gezegd van Amurrio, de ware bakermat van de echte adel, de schittering van de stambomen, de wapenarsenalen, de eerbiedwaardige inheemse namen, glorieuze heldendaden van doorluchtige en godsvruchtige mannen, burgers en militairen, geduchte bevelhebbers die een duurzame christelijke vrede verdedigden en garandeerden, benijdenswaardige vrijheid en broederlijke samenleving, bloeiende industrie in het heden, en zeer weloverwogen wijdt de schrijver enkele pagina's aan het internaat voor jongens die geen delinquenten zijn maar eerder slecht opgevoed of mislukt...
'Wie heeft die stommiteiten geschreven?'
'Een pastoor.'
'Van deze tijd?'
'Nee. Uit 1932.'
'In deze streken hebben de pastoors bij alles een vinger in de pap. Zowel bij de traditionele Carlisten of nationalisten als bij de marxistisch-leninistische ETA-leden van nu. Het is een volk van pastoors en moeders. Mijn vader heeft mij altijd gezegd dat hij pastoors niet kan pruimen en ik vermoed dat hij mijn moeder ook niet kan uitstaan.'
«Zijn moeder is gestorven toen Jesús nog een baby was...» Je had eindeloos met Norman gediscussieerd over de relatie tussen de verloren moeder en het wederrechtelijk toegeëigende Baskische land; terugkeren naar je land, terugkeren naar je moeder met de heftigheid van een Bask die bijna niet in Baskenland heeft kunnen leven, een land van herinneringen en verlangen, een land verbonden met het beeld van Galíndez' grootvader, ex-burgemeester van Amurrio, die hem heeft leren lopen langs paden tussen enorme varens, kronkelend langs steile, bijna verticale berghellingen. Zelfs zijn vader, een Bask, heeft nooit de gehechtheid van Jesús aan zijn Baskische geboortegrond begrepen, deze zoon die geboren was als soldaat van een gedroomd en gefantaseerd vaderland. «Het verbaast me -verkondigde Xabier Arzallus, voorzitter van de Euzkadi Buru Barzak- dat er maar zo weinig zijn die zich vandaag de dag Jesús de Galíndez herinneren. En niet dat hij van de PNV* was, want hij vocht voor veel meer dan alleen maar voor Euzkadi. Hij streed zoals mensen dat kunnen doen die nu voor Nicaragua vechten...»
'Laat eens kijken. Ik geloof dat ik het niet goed hoor. Die heeft lef, nu blijkt dat hij Sandinist is... Lees het nog eens...'
«Hij streed zoals mensen dat kunnen doen die nu voor Nicaruaga vechten. Hij was tegen alle tirannie, overal, ook als het tegen mensen was die niet de zijnen waren...»
'Die Arzallus is een kameleon. Zoals hij het zegt kan het zowel op de Sandinisten als op de Contra's slaan. Die zeggen beiden dat ze voor Nicaragua vechten.'
'En wie vecht er volgens jou dan werkelijk voor Nicaragua?'
'Geloof maar niet dat ik dat zo precies weet als jij. Vechten voor de democratie betekent deze instellen via democratische instituties. Ik geloof niet in de Sandinistische heilsboodschap noch in de contrarevolutie die door Reagan wordt geleid.'
'Jij gelooft in de democratie.'
'Zo is dat.'
'De Zwitserse, de Amerikaanse?'
'Waarom niet, is er dan een andere?'
'En dat vraag jij, een socialist?'
'Ik vraag het aan jou, omdat jij het geluk hebt gehad sinds je geboorte in een democratie te leven.'
'Als klein meisje heb ik gezien hoe de democratische politie op straat op Black Panthers jaagde.'
'Black Panthers, wat is dat?'
'Je bent te jong, laat maar zitten.'
'Ja, mam.'
Je zou graag ooit een zoon willen hebben net zo mooi als Ricardo, zo slank, zo soepel, zo donker, met de elegantie van zowel de telg van een beroemde familie als van de ambtenaar bij een socialistisch Ministerie van Cultuur; de aangeboren elegantie en de elegantie van een moderator van de geschiedenis. «Galíndez is zoiets als de boom van Guernika. Eman eta zabal zazu*. Hij koos vrijheid en gerechtigheid en streed ervoor over de hele wereld, hetgeen bewonderenswaardig is. Er zijn niet al te veel voorbeelden op deze wereld van mensen die hun leven riskeren en de strijd om vrijheid en gerechtigheid op een wrede manier verliezen.» Maar Ricardo let alleen nog maar op de weg die smaller is geworden, alsof hij zich steeds meer concentreert op het zoeken naar de goed verborgen hoeve van de familie Migueloa. Ricardo is Galíndez en Arzallus moe en wil politieke discussies vóór zijn.
'Hoor eens, schatje. Je gaat me niet meeslepen in een politieke discussie met mijn oom, hij is een echte Bask waarvoor je moet oppassen. Bovendien is mijn neef er, die lid is geweest van de ETA en zich nu wijdt aan beeldhouwen en schilderen op een beetje geschifte manier, want niemand die niet een beetje geschift is houdt zich bezig met dat terroristische gedoe. Ik stel je voor als een wetenschapper die onderzoek doet naar de Baskische kwestie, naar Galíndez als je wilt, we hitsen ze een beetje op, vervolgens eten we wat witte bonen die mijn tante verrukkelijk klaarmaakt en we gaan slapen, en morgen gaan we terug naar Madrid want dit is Albanië. Begrijp me goed, het land trekt me, ik vind het mooi; als je zoals ik van de steppen komt maken al deze bomen en weilanden indruk. Hoewel ik niet eens de namen van die bomen ken.'
'Eiken.'
'En die daar?'
'Kastanjes... En daarnaast beuken en bij de weg staat het vol met hazelaars, met sleedoorns, wilde rozelaars en jeneverbessestruiken met hulst ertussendoor.'
Ricardo remt zachtjes en knijpt je in je dij.
'Hoor eens, schatje, je steekt de draak met me.'
Je moet lachen omdat jouw eruditie bij hem een grappige verontwaardiging heeft gewekt, en niet om het kneepje dat voor jou als een aanval is waaraan gevoel en zelfs tederheid ontbreken.
'En die struiken die zo groen zijn, het lijken wel wimpers...'
'Die ken ik, varens, reusachtige varens.'
'En die daar?'
'Zeg het maar.'
'Paardebloemen.'
'Heb je dat allemaal op de Universiteit van New York of Yale geleerd?'
'Nee. Dat heb ik geleerd door Galíndez te lezen; hij spreekt soms over het landschap van zijn land, of door lezen in de geografie- en geschiedenisboeken over het Baskenland.'
'Wilde rozelaars... paardebloemen...'
'Weet je dat dat wijfjesvarens zijn?'
'Met zulke wimpers kunnen ze moeilijk iets anders zijn. Jij hebt heel dikke wimpers. Ik dacht dat jullie roodharigen geen wimpers hadden.'
De weg werd zelfs nog smaller toen deze rechtstreeks uitkwam bij een hoeve die een kartonnen decor leek in de cul-de-sac aan het eind van het dal. Met de rug van je hand streel je zijn wang.
'Zouden ze ons op verschillende kamers laten slapen?'
'Ook al zijn het Basken, ze kijken televisie en soms gaan ze naar de film. Dat hun neef met een Amerikaanse naar bed gaat is geen zonde. Alles wat internationaal is, is niet langer zondig.'
Met zijn dominante aanwezigheid blokkeert de hoeve de doorgang voor de auto, zijn omvang tekent zich scherp af tegen de groene horizon, en uit de bijgebouwen die het geheel verder afbakenen klinken geluiden van werkzaamheden. Ricardo zucht en springt uit de auto met een geforceerde glimlach, de glimlach van een neef die terugkeert en zich ervoor moet verontschuldigen dat hij een buitenstaander is; een buitenstaander net als mijn vader, zal het eerste zijn dat hij tegen zijn oom zal zeggen, een mannetje met een zigeunergezicht en een Baskische kokkerd.
'Maar het is de schuld van mijn zuster dat je vader ontaard is, want zij is van hier en dat is niet te merken.'
De vrouw verschijnt terwijl ze haar handen aan een keukenhanddoek afdroogt en dan pas kijkt de oom je met een open blik aan, alsof de aanwezigheid van zijn vrouw hem verandert in een gastheer en niet in een man met een alpinopet op die de roodharige buitenlandse bekijkt.
Maar vertel ons eens hoe dit meisje heet. De vrouw kijkt naar je alsof ze je gebaard heeft. Ze zegt je dat ze je moeder zou kunnen zijn en dat het haar niet zou uitmaken als dat zo was; en je houdt je niet in bij de omhelzing, je kust haar op beide wangen en je hebt het plastic van de diepvriesverpakking kapot gemaakt omdat zowel zij als haar man vochtige ogen hebben gekregen en je vertederd aankijken.
'Als hij niet gewild had dat je ons zou leren kennen, Muriel, zou deze buitenstaander zich niet eens meer hebben kunnen herinneren dat hij een oom, een tante en een neef heeft.'
'Is Josema er?'
'Hij is er. Ik neem aan dat hij er is.'
'Hij moet er wel zijn.'
'Hij moet bij zijn monsters zijn. Achter de oude kippenren of in de bergen waar hij bomen schildert.'
'Schildert hij landschappen?'
'Nee, hij schildert op de bomen.'
Ricardo knippert met zijn wimpers in morse dat je je niet moet verbazen, dat hij je al gewaarschuwd had dat zijn neef een beetje gek was.
'Beschildert hij bomen?'
Je volhardt in je verbazing en het is tante Amparo die je bij de arm neemt en naar het huis toe duwt.
'Leg jullie spullen maar binnen, knap je maar op en dan zullen we voor het donker wordt gaan kijken wat Josema aan het doen is, als je dat interesseert.'
'Natuurlijk interesseert ons dat.'
Zegt Ricardo met een onstuimigheid die zijn gebrek aan interesse verraadt. De oom staat een beetje te staan in de geplaveide hal en de tante gaat jullie voor op de trap die een bewerkte houten leuning heeft, er volgt een gewaarwording van ruimte en schemerdonker, je ruikt de geur van maïskolven en verborgen baksels, een contrast van warmte waar je dankbaar voor bent, die je opvrolijkt tot in alle geledingen van je lichaam, en plotseling is er een open kamer met twee bedden en een vluchtige aanwijzing, nauwelijks hoorbaar.
'Ik heb deze kamer voor jullie klaargemaakt, zijn jullie tevreden?'
'Fantastisch.'
Antwoordde Ricardo, en het was een opluchting voor de vrouw die door de kamer draait alsof ze jullie uitnodigt bezit te nemen van de ruimte waar ze zich doorheen beweegt.
'Hier staat een lampetkan die in je moeders kamer heeft gestaan, Ricardo, toen ze een klein meisje was.'
'Een lampetkan.'
Zeg je, en je streelt het afgeschilferde porselein. Ricardo liet een o,ja ontsnappen terwijl hij tussen alle mogelijke voorwerpen en zaken die in de kamer aanwezig zijn, probeert te ontwaren wie of wat de lampetkan is.
'De badkamer is op het trapportaal rechts. Maak het jullie gemakkelijk en kom maar naar beneden wanneer jullie willen, maar als jullie willen zien hoe je neef werkt, moet dat voor het donker wordt.'
Jij zou die prachtige vrouw van in de vijftig die haar grijze haar als een teenager uit de jaren vijftig in een paardestaart draagt al zijn gevolgd, maar Ricardo wil je iets zeggen of iets met je doen, met zijn handen raadt hij je aan rustig te zijn en met zijn ogen vraagt hij je respijt en hij verzekert zijn tante dat het niet langer dan tien minuten zal duren.
'Vijf.'
'Er is geen haast bij. Als jullie hem vandaag niet zien dan maar morgen.'
'Morgen gaan we zo vroeg als we kunnen naar Madrid terug.'
'Morgen al?'
'Tante. Ik heb speciaal, heel speciaal verlof gevraagd, en Muriel heeft afspraken voor interviews.'
Maar hij is het die zo snel mogelijk weg wil van deze vrijwillige opsluiting met een deel van de familie waarvan hij onvrijwillig lid is en waarmee hij zelfs geen enkele herinnering deelt.
'Alles is goed gegaan, maar alsjeblieft, laat je niet strikken. Als ze er op staan dat we blijven, sta me dan bij, alsjeblieft, laat je niet meeslepen door je yankee-schuldcomplex.'
'Mijn yankee-schuldcomplex?'
'Ja. Jullie progressieve yankees hebben een schuldcomplex en zeggen op alles ja. Het zijn wel lieve mensen, hè?'
'Je oom en tante? Ze zijn te gek.'
'Zeg nog eens te gek, schatje, het komt er perfect uit.'
'Te gek.'
Hij kust je en raakt je aan, maar dit keer teder.
'En nu op naar de boomschilder. En jij, wat je ook ziet, mondje dicht. Ze zijn primitief, maar slecht zijn ze niet.'
Naar
de MKW-beginpagina
|