| Trouw,
14 december 2002
De
Nederlandse Robinson was homo Michiel Koolbergen, kunstredacteur van Trouw, schreef voor zijn dood op 1 juni dit jaar een boek over de Hollandse Robinson Crusoë, Leendert Hasenbosch. Daarvoor bezocht hij onder andere het eiland Ascension. Een samenvatting van het leven van Hasenbosch. En een fragment uit de epiloog van Koolbergens boek dat dezer dagen verschijnt. Halverwege tussen Zuid-Amerika en Afrika, net onder de evenaar, ligt in de Atlantische oceaan het eilandje Ascension. Tegenwoordig is het Brits grondgebied, wonen er op de 35 vierkante mijlen 1100 mensen, heeft het een gouverneur, een politiebureau en een krant. Maar in de 18de eeuw was het nog van niemand en woonde er geen mens. Op dat onbewoonde eiland werd Leendert Hasenbosch op 5 mei 1725 gedumpt. Hasenbosch, op dat moment 30, was een nog niet helemaal volleerde boekhouder die voer op de Prattenburg, een VOC-schip dat sinds vier maanden op de terugweg was van Batavia naar Nederland. De oorspronkelijk uit Den Haag afkomstige zeeman (die er inmiddels tien jaar als soldaat in Nederlands-Indië op had zitten) kreeg een vat water mee en zijn persoonlijke eigendommen. Zo werd hij achtergelaten op het strand. Twee weken eerder was op de Prattenburg dat zware vonnis over hem uitgesproken. Hij was op 17 april veroordeeld om 'op het Eyland Asschentioen als schelm aan de wal gejaagt te werden met confiscatie syner te goed hebbende gagie'. Wat had Hasenbosch misdaan? Blijkbaar was het te erg om in het soldijboek van de VOC man en paard te kunnen noemen. En ook was zijn daad te verschrikkelijk om hem op St. Helena te kunnen achterlaten, waar de Prattenburg al op 27 april langs zou komen. Dat eiland was bewoond; het was een verversingspost. Hasenbosch' misdrijf vroeg er blijkbaar om dat hij voor altijd van de samenleving zou worden afgezonderd. Hasenbosch had 'sodomie' bedreven, reconstrueert auteur Michiel Koolbergen - het vuilnisvatbegrip van die tijd (want het woord 'homoseksualiteit' bestond nog niet) voor alle seks die niet op voortplanting is gericht, van masturbatie tot gemeenschap met dieren. Hoogstwaarschijnlijk, denkt Koolbergen, heeft Hasenbosch zich aan de een of andere scheepsjongen vergrepen. Nu stond op sodomie weliswaar de doodstraf, maar Hasenbosch was als 'schrijver' niet de eerste de beste. Wie aan boord van een schip de administratie van goederen en lonen bijhield, werd blijkbaar milder gestraft dan wie slechts matroos of - het laagste in de pikorde - scheepsjongen was. Dat Hasenbosch op Ascension een dagboek heeft bijgehouden, staat vast. In januari 1726 doen twee Engelse schepen - de Compton en de James and Mary - samen het eiland aan om er schildpadden te zoeken, en in beide scheepsjournaals staat vermeld dat de manschappen een tent vinden, met daarin spullen, waaronder een dagboek. De kapitein van de Compton, ene Mawson, vermeldt zelfs dat het ging om een Hollander die wegens sodomie op het eiland was afgezet; op de Compton voeren een paar Nederlandse scheepslui mee die de gevonden vellen konden lezen. Twee jaar later verschijnt in Londen een vertaling van dat dagboek, ontdekte Koolbergen - een klein boekje van 28 pagina's. Maar de authentieke dagboekvellen van Hasenbosch zijn onvindbaar. En de vraag is, of die Engelse vertaling (die Koolbergen weer terugvertaald heeft in hedendaags Nederlands) niet is aangedikt, opgesierd, van wat extra drama voorzien. Dat gebeurde in die tijd wel vaker: Daniel Defoe had in 1719 Robinson Crusoë geschreven, geïnspireerd door de lotgevallen van zeeman Alexander Selkirk, die ruim vier jaar in zijn eentje op een van de Juan Fernandez-eilanden had gebivakkeerd - in zijn geval overigens niet voor straf, maar omdat hij vreesde dat het schip waarop hij voer zou zinken omdat het zo slecht onderhouden was. Het lezerspubliek van die tijd (en niet alleen van die tijd) was in één klap dol op Robinsonades. Ze verschenen bij de vleet. Echt of niet, het dagboek van Hasenbosch haalt elke romantiek af van een verblijf op een onbewoond eiland. Wist Selkirk zich ruim vier jaar te redden, Hasenbosch overleed binnen vijf maanden door uitputting. Selkirk ving geiten, maakte schoenen van hun vel, bouwde hutten, ontdekte dat hij zijn eten op smaak kon brengen met peper. Hasenbosch daarentegen loopt zijn voeten op de rotsen stuk op zoek naar een waterbron, graaft naar water maar vindt alleen iets braks, drinkt zijn eigen urine, vangt schildpadden en drinkt daar het bloed en de urine van, krijgt diarree van het een en moet braken van het ander, en omschrijft zichzelf na vier maanden al als ,,zo uitgemergeld dat ik op een wandelend geraamte gelijk. Kan verder geen bijzonderheden meer noteren, mijn hand beeft zo.' Voorzover bekend duurt zijn lijden dan nog ruim een maand, want na 14 oktober schrijft hij niets meer. |